Vrije opdracht
March 31, 2007Het was 1988 toen ik mijn eerste stappen in het voortgezet onderwijs deed. Ik ging naar de MAVO, en dat had vroeger niet zo’n negatieve klank als het VMBO tegenwoordig heeft. Wat is dat tegenwoordig toch met het VMBO? Ik snap er niets van, maar zie tegelijkertijd het nut ook niet om me erin te verdiepen. Vroeger was alles makkelijker. Vroeger had je het LBO, de MAVO, de HAVO en als je echt slim was (of goed kon doen alsof) het VWO. Deze laatste twee bestaan tegenwoordig nog steeds, maar het schijnt dat het LBO en de MAVO opgegaan zijn in het VMBO.
In mijn tijd had je een rangorde, noem het gerust een pikorde, vergelijkbaar met het Indiase kastenstelsel. Het begon van bovenaf: de VWO-ers keken neer op de HAVO-ers, die weer op de MAVO-ers en het eindigde bij de LBO-ers. Nu waren wij ook niet braaf op de MAVO (in tegenstelling tot de HAVO-ers, met name de meisjes) maar op het LBO was het een graadje erger. Als ik tegenwoordig de verhalen over het VMBO hoor, gaan mijn gedachten terug naar vroeger. Ik probeer me te herinneren hoe wij waren op de MAVO en de dingen die gebeurden op het LBO. Na wat gepeins kan ik maar tot een conclusie komen: wij waren vroeger net zo erg. Het grootste verschil is dat wij een grens hadden, een onbesproken lijn waar je niet overeen stapte. Een grens die overigens sterk afhankelijk was van de leraar. Wij hadden nog enig normbesef, al zou een zekere muziekleraar, die met zijn snor en haardracht een zekere gelijkenis vertoonde met een Duitse dictator uit de periode ’40-’45, een andere mening toegedaan zijn.
Aan de andere kant had je ook leraren waarvoor je wel respect had. Mijn Nederlandse leraar was zo iemand. Tijdens het eindexamen Nederlands had je een onderdeel schrijfvaardigheid, wat bestond uit een aantal voorgekauwde onderwerpen waarover je kon schrijven en een vrije opdracht. Ik koos altijd voor de vrije opdracht en begon met schrijven. Het verhaal begon met een zin en het kreeg vanzelf de richting waar het heen wilde gaan. Meerdere malen hoorde ik van mijn leraar dat dit niet goed was. Ik moest een onderwerp hebben en daarover schrijven. Wat ik dus deed was fout en kon echt niet. Het vormde ook een risico tijdens het eindexamen, omdat je misschien een opstel inleverde wat nergens op sloeg, een opstel zonder enig onderwerp. Toch kreeg ik steevast hoge cijfers van hem voor mijn opstellen.
Gesterkt in de gedachte dat ik toch wel wat goed moest doen schoof ik die bewuste ochtend in mei 1992 aan de tafel. Ik las de onderwerpen van dat examenjaar en besloot al gauw te kiezen voor de vrije opdracht. Ik zette de eerste zin op het papier en liet het verhaal zichzelf schrijven. De enige onderbreking was het meermaals snuiten van mijn neus vanwege de hooikoorts. Na een uurtje legde ik de pen neer en las het verhaal wat zich ontvouwd had op het examenpapier met stijgende verbazing. De rest van de tijd heb ik naar buiten gekeken hoe mooi de blaadjes en de bloemetjes groeiden en bloeiden op die zonnige ochtend.
Ik ben geslaagd met gemiddeld een 8,4 op mijn Centraal Schriftelijk Examen voor Nederlands. En dat terwijl ik, nog steeds, nooit een onderwerp bedenk voor ik begin.















